Dominee denkt door

  • Afscheid van een vaderfiguur

    Vandaag nam Amsterdam afscheid van burgemeester Eberhard van der Laan. Als nieuwe Amsterdammer heb ik verwonderd gekeken naar hoe geliefd deze burgemeester was en wat zijn ziekte en overlijden teweegbrengt in de stad. Hij was een goede bestuurder, een betrokken en menselijke burgemeester en aan het einde ook een kwetsbaar lijdend mens. Dat alles maakte hem een vaderfiguur — een echte burgervader — zo is mijn indruk als ik zie wat het afscheid de laatste weken oproept aan verdriet, dankbaarheid en eer.

    van der laan,amsterdam,vader,f.o. van gennep

    Dat Van der Laan zo’n vaderfiguur is geworden, is eigenlijk best wonderlijk — zeker in een vrijgevochten stad als Amsterdam. De theoloog F.O. van Gennep schreef ooit (in 1989) een boek met de titel ‘De terugkeer van de verloren Vader’, waarin hij stelde dat in de westerse cultuur de vader op drie fronten is verdreven. In de politiek is de vader-koning vervangen door de democratie, de secularisatie en het atheïsme hebben de Vader-God (en de autoritaire kerk) van de troon gestoten en het feminisme heeft de aanval ingezet op het gezag van de man-vader in het gezin en relaties. Het is het bekende verhaal van het vrije individu dat geen autoritaire vaderfiguren meer boven zich duldt.

    Ook al is de vader een problematische figuur geworden in onze samenleving, toch keert hij steeds weer terug en het verlangen naar hem blijkt ook niet uit te roeien. Van Gennep zag profetisch dat die terugkeer ook een herstel van de oude autoritaire vadermacht kon betekenen, als vanuit een vacuüm en nostalgie het verlangen naar sterke leiders en autoritaire verhalen opkomt. Hij pleitte voor de terugkeer van de vader, die naar het voorbeeld van de lijdende en dienende Christus op een bescheiden en dienstbare wijze macht uitoefent. 

    Ik denk dat Van der Laan wel in dit beeld van Van Gennep paste en dat de mensen dat in hem hebben herkend. Zonder hem te verheerlijken, kun je wel zeggen dat hij een vaderfiguur was, die verbinding schiep, mensen zag en zich daadkrachtig inzette voor het geheel. Daarbij was hij aan het einde een lijdende en kwetsbare burgemeester, die afscheid nam met een vaderlijke oproep om goed ‘voor onze stad en voor elkaar’ te zorgen. 

    Bij het afscheid van deze burgervader kun je alleen maar hopen dat er meer van zulke vaders zullen terugkeren in onze tijd — in de politiek en ook in kleinere verbanden als de school, het gezin, kerken en verenigingen. En die hoop wordt gevoed door het vertrouwen dat die ene Vader, die op zijn eigen kwetsbare en dienende wijze macht uitoefent, ook altijd weer terugkeert.

  • Tweezak

    Dit Vlaamse woord ken ik nog niet zo lang. Eigenlijk vreemd, aangezien het woord over een wijdverbreid menselijk verschijnsel gaat. Enkele maanden geleden las ik dit zo rake woord voor het eerst in een interview en onlangs kwam ik het weer tegen in de confronterende roman WIL van Jeroen Olyslaegers.

    alexander-khokhlov-two-faces.jpg

    De hoofdpersoon Wilfried Wils is een tweezak. Als politieagent in het door de Nazi's bezette Antwerpen kiest hij geen partij, maar wordt meegetrokken door zowel de 'zwarten', die collaboreren met de Duitsers, als de 'witten', die zich verzetten. Hij doet als agent mee met het oppakken van Joden in de stad en trekt op met de fanatieke Jodenhater Nijdig Baardje, maar komt via zijn kameraad Lode ook in de kringen van het verzet en helpt een Joodse man op een onderduikadres overleven.

    Wilfried speelt geen hypocriet spelletje om er beter van te worden, ook is er bij hem niet simpelweg sprake van overleven, zoals bij de meeste van zijn collega's. Hij is een tweezak — dat wil zeggen dat hij het maar laat gebeuren en niet wil en kan kiezen. Hij is niet zwart of wit, en ook niet grijs, maar zwart-wit. En dat lijkt hem niet te deren. Hij wil een dichter zijn en kijkt met een scherpe, ironische blik naar die zwakke, dubbele en zelfzuchtige mensenwereld. Ondertussen maakt hij echter wel deel uit van die al te menselijke wereld, die de zak van zijn leven naar alle kanten trekt en hem opzadelt met een last die altijd — en aan het einde ondraaglijk — op zijn leven zal blijven wegen.

    Olyslaegers legt in deze roman de menselijke 'tweezakkerij' bloot — zonder te oordelen, met een zachte blik en een scherp oog voor hoe ingewikkeld het menselijk leven tussen goed en kwaad is. Het verhaal liet mij als lezer met de vraag achter hoe je uit dat ongelukkige, maar zo herkenbare leven van de tweezak kan raken en blijven. Jezus heeft in de Bergrede de 'zuiveren van hart' zalig geprezen (Mattheüs 5:8). Dat is ook echt zalig: dat je zuiver bent, puur, een mens uit één stuk die 'onverdeeld één ding wil', zoals de filosoof Søren Kierkegaard deze zuiverheid van hart uitlegde. Maar het is zo moeilijk te bereiken voor de tweezakken die wij mensen zijn. 

    Het christelijk geloof wijst wel een weg van dubbelheid en tweezakkerij naar eenvoud en puurheid. Ik vind het frappant dat geloof of religie geen enkele rol van betekenis in de roman spelen, terwijl dat hier juist veel kan betekenen. In de eerste plaats door de tweezakkerij te zien en te erkennen, zoals de roman dat ook zo scherp doet. Wij zijn allen tweezakken — allemaal: zwarten, witten, grijzen en zwart-witten. Maar bij die erkenning komt ook een uitnodiging tot verzoening — met God, met anderen, met jezelf. Verzoening maakt heel, brengt je in het reine en zuivert je ook. Ik — de tweezak die ik ben — heb dat nodig om de hoop op eenvoud en zuiverheid te voeden en een beetje meer een eenzak te worden.

  • Het is simpel

    Tien jaar ben ik predikant geweest in de Christusgemeente en de (Protestantse) kerk van Antwerpen. Nu ik binnenkort vertrek naar Amsterdam, is het tijd om afscheid te nemen en terug te blikken. Als ik dat doe, dan is er één gedachte die steeds terugkeert, namelijk dat de kerk eigenlijk iets heel simpels is. Uiteindelijk komt het neer op Christus en elkaar. De kerk is de plek en de gemeenschap waar we Christus en elkaar als een geschenk — genade, zeggen we als protestanten — ontvangen.

    kerk, simpel

    Juist dat simpele is zo moeilijk. We zijn druk — bijna allemaal in onze levens en evenzeer in de kerk. We organiseren en regelen, we maken beleid en plannen en we zitten in een molen van activiteiten en vergaderingen. Ik vond en vind het moeilijk om door al die drukke bomen nog het bos te zien, om in dat vele die hele simpele maar cruciale vraag te stellen: wie is Christus en waar is Hij bij ons vandaag?

    En dat simpele ‘elkaar’ is in de praktijk ook iets minder simpel. Wij met elkaar zijn immers mensen en mensen zijn op alle vlak zeer complexe wezens en bovendien zondaren, zo leert de Bijbel en de levenservaring ons klaar en eerlijk. En we moeten het ook in de kerk met gewone mensen van vlees en bloed doen. Mensen met al het schone, verheugende en goede én al het lelijke, trieste en kromme dat wij zijn en doen. Dat is niet simpel.

    Toch heb ik juist van dat echte, reële ‘elkaar’ gehouden: de mensen in alle soorten, maten en kleuren, die meestal ook niet goed in kerkelijke of maatschappelijke hokjes passen. Dankbaar ben ik voor de verrassing van de ander. De mens die anders is, maar met wie je je in een echte ontmoeting verbonden weet en voelt als mens en als kind van de ene God. Ik heb denk ik ook leren houden van de kerk als huis van zondaren en heiligen (die vaak tegelijk in één persoon huizen). Het is zo genadig en hoopvol te geloven dat het lichaam van Christus bestaat uit heilige zondaren, uit mensen met stukken af en gaten en butsen die door God bemind zijn. Ik denk dat zowel de veelkleurigheid en diversiteit van de kerk, als die eerlijke en kwetsbare aanvaarding dat de kerk bestaat uit zondige heiligen en mislukte helden van cruciale betekenis is voor de kerk in onze samenleving. Omdat wij zo als gemeenschap een tegengeluid van hoop, echtheid en verlossing zijn tegenover de concurrentie, verdeeldheid en ongelijkheid tussen mensen en groepen en tegenover het gefotoshopte en gelik(e)te leven dat ons niet bij ons echte leven brengt. In zo’n kerk geloof ik en bij zo’n kerk ben ik met vreugde betrokken geweest.

    Ik hoop dat ik ook heb gehouden van Christus. Ik zou dat liever met de apostel Paulus anders noemen: ‘Christus willen kennen’ of ‘grijpen waarvoor Christus mij heeft gegrepen’ (Filippenzen 3:10-12). Daar draait het in de kerk om: het geheim van Christus die ons heeft gegrepen — op verschillende manieren — en die we zoeken te kennen, te ontvangen en te laten groeien in ons leven. In alles wat we doen komt het aan op het zoeken en vinden van Christus, die ‘acteert op tienduizend plekken’ (volgens de dichter Gerard Manley Hopkins). Ik zie Hem soms even als we het Avondmaal tot zijn gedachtenis vieren, in de woorden van de Bijbel die we samen lezen of die ik verkondigen mag, als we op zondag samen bidden en zingen, in de kinderen met hun hoopvolle levenslust en eenvoud, en in de geringste van zijn zusters en broeders (in de kerk, op straat, in het ziekenhuis) en soms verschijnt Hij ook gewoon als ik door de Lange Leemstraat fiets — die straat die voor mij het toppunt van eerlijke en lelijke schoonheid is. En hopelijk is Hij ook door mij heen aan anderen verschenen de afgelopen jaren. 

    Ik ben dankbaar voor deze tien goede Antwerpse jaren van Christus en elkaar en zie met verlangen uit naar dat simpele geschenk op de nieuwe plek in en rond de Amsterdamse Noorderkerk.

    Deze blog is een iets gewijzigde versie van een artikel dat ik schreef in het Antwerpse kerkblad De Band.