• Blauwe lucht

    Gisteren begon mijn dag goed. Door het schuin openstaande badkamerraam zag ik boven de daken de diepblauwe zomerlucht. Zomerblauw, fris en klaar voor een nieuwe dag. Even stond ik daar als Adam in de hof van Eden: verliefd op het leven, dankbaar voor mijn bestaan, blakend van levenslust en zin.

    Cielo simplemente.JPG

    Later op de dag vroeg ik me af waarom die blauwe lucht me zo in vervoering brengt. Een lucht van blauw met witte wolken is misschien wel mooier en het spel van donker en licht in de herfstluchten is zeker fascinerender dan een strakblauwe hemel. Bovendien hangen blauwe zomerluchten meestal over een warme wereld, die ook die morgen al veel zweet en loomheid beloofde. 's Middags fietste ik onder de blauwe hemel door de straten van een hete stad, die alle levenslust uit je lichaam zoog. Klam van het zweet zat ik aan een ziekenhuisbed en zag door het raam dat de hitte als een witte waas voor de blauwe lucht hing — het levendige blauw nu flets en verkleurd.

    En toch houd ik van die blauwe zomerlucht. Misschien heeft het te maken met de openheid die zo'n lucht uitstraalt. Het is alsof alles open is naar het leven, God, goedheid, eeuwigheid. Een heldere sterrenlucht is ook open, maar dan op een eerder beangstigende manier, zoals de grote denker Blaise Pascal (1623-1662) het verwoordde: 'de oneindige, onmetelijke ruimten die ik niet ken en die mij niet kennen' (fr. 68 Pensées). De blauwe lucht is een open poort naar het leven, een geruststellende uitnodiging dat we mogen leven, de genadige wenk dat zonder mij dit bestaan niet compleet is. Even open en genadig als de lijnbus die me in de hitte passeerde, met alle deuren wagenwijd open om te zeggen dat ik binnen mocht komen.

  • De zondagse tocht

    Op 6 juli overleed mijn vader, Martinus Visser. Als kind ging ik jarenlang met hem mee naar het kerkje aan het Paardenwater in Gorinchem, waar hij koster was. Die zondagse tocht en het 'spel' in de kerk behoren tot de mooiste herinneringen aan hem en mijn jeugd.
    brug van cellen

    Als Jozef naast zijn vader, maakte ik ontelbare keren de zondagse tocht naar de kerk — zonder veelvervige rok, want de zondagse kleren waren donkergetint.

    Langs het huis van Baks, het donkere hol van De Ruiter, bij Ten Hulzen de hoek om, over het bruggetje, langs de kleine witte huisjes — die nu zijn verdwenen — en dan de Spoorsloot volgen. Op de vredige zondagmorgen onze opgang naar Jeruzalem — ‘Kom ga met ons en doe als wij!’

    In mijn herinnering spraken we niet veel. Het kind telde putdeksels, lantarenpalen, jonge eendjes. Rook de zomeravondregengeur. Probeerde in de winter het ijs op de sloot. Zag ’s avonds op de terugweg de donkere ruggen van pa en diaken Roest. Hoorde paraplu’s op het trottoir tikken en ving flarden op van het grote mannengesprek — traag, gedempt, niet wetend waarover het ging. De preek? Kleine kerkperikelen? Koetjes en kalfjes?

    Langs de sloot stonden twee treurwilgen — die staan er nog. Ze treuren nog steeds over de zonden van ouders en kinderen, tot in het derde en vierde geslacht. Ze laten al die jaren hun bladeren hangen over de treurnis van de wereld en de harde, stomme dood.

    Dan het spoor over, de bocht nemen naar de oude Kerkhofsluis, die groene vervallen oerbrug over en daarna de laatste opgang naar de brug van Ceelen. Tenslotte daalden onze voeten af naar het godshuis.

    Daar was de koster de Leviet die de knopjes, de psalmborden, de koffiekopjes, de tijden en vaste rondgangen behandelde met een heilig respect dat paste bij de dienst des Heeren. En het kind was de hulpleviet in dit heilige spel.

    Het gewicht van de eeuwigheid teruggebracht in de hanteerbare vorm van cijfers en letters die loodrecht op het psalmbord hingen, een bedieningspaneel van schakelaars en twintig ledlampjes, een afsluitingsritueel dat een eeuwigheid kon duren en mensen voor wie hij zich al plagend en mopperend het vuur uit de sloffen liep.

    Als de ziel de zwaarte van de eeuwigheid niet kan torsen, maar angstig en onmachtig wacht, als het leven en het hart onmogelijk heel en goed worden, als de treurwilgen maar blijven treuren, dan was er één plek waar je dat gewicht kon herscheppen in een heilige orde van dingen en mensen, een tempel aan het Paardenwater.

    Daar speelde het kind in kinderlijke, heilige ernst met zijn vader. Het ging op en daalde af langs de Spoorsloot. En het hoopte — en zal blijven hopen — dat alle pelgrims die over de oude vervallen Kerkhofsluis moeten gaan, thuiskomen in de stad zonder tempels, met poorten die tot in alle eeuwigheid genadig open staan.

    Beeld: Brug van Ceelen (Barry van Baalen, Facebookgroep Oud Gorinchem)