Dominee denkt door - Page 3

  • Gezondheid is niet alles

    Healthy-Living-Apple.jpgIk wist niet of ik er goed aan deed, ik aarzelde, maar ik zei het toch: 'Nee, ik vind gezondheid niet het belangrijkste.'

    Het gebeurde tijdens een bezoek aan een van onze kerkleden die net uit het ziekenhuis thuis was. Ik was er nog niet zo lang, toen de kinesist verscheen om revalidatie oefeningen te doen. Terwijl ik aanstalten maakte om te vertrekken, zei ik dat ik graag ruimte maakte voor de gezondheid van het lichaam en nog wel eens terug zou komen op een ander moment. Daarop reageerde de kinesist met de opmerking dat gezondheid natuurlijk voor alles kwam.

    Daar was die opmerking weer. Misschien al wel duizend keer had ik die in het ziekenhuis, bij de schoolpoort of op een verjaardag in verschillende varianten gehoord: 'Als je maar gezond bent'; 'Zolang ik gezond blijf, hoor je mij niet klagen'; en 'Gezondheid is je grootste rijkdom'. Telkens krijg ik er een ongemakkelijk gevoel bij. Enerzijds klopt het dat lichamelijke gezondheid tot de basisbehoeften van het menselijk leven behoren — helemaal onderaan de piramide van Maslow. Een gezond lichaam is een basis om mee te kunnen leven en ziek zijn beperkt een goed leven, of kan dat zelfs onmogelijk maken. Anderzijds is de uitspraak dat gezondheid voor alles komt tiranniek, om niet te zeggen afgodisch. Gezondheid wordt zo gepromoveerd van een essentiële basisbehoefte naar het hoogste goed. Het is die opgehemelde status van gezondheid die mij dwars zit en mij tot het tegenspreken van het hedendaagse dogma van 'gezondheid voor alles' bracht.

    Mijn tegenspraak heeft te maken met de Bijbel. De bijbelse kritiek op afgoderij waarschuwt dat geen enkel aspect van het menselijk bestaan die absolute, goddelijke status verdient, omdat er anders niet genoeg ruimte is voor God, maar ook niet voor een vrij en humaan leven. En gezondheid is een van de goede en belangrijke aspecten van het bestaan die in onze samenleving als een god wordt vereerd. Als je bedenkt hoeveel geld, energie en aandacht aan gezondheid en een gezond en jeugdig lichaam wordt besteed, dan lijkt het dat gezondheid vandaag een veel hogere status heeft dan de godin Hygieia ooit bij de oude Grieken had. De kritische vraag is of ze daarmee niet teveel eer en aandacht krijgt en — zoals alle goden — ons tot haar slaven maakt.

    Een andere bedenking die bij mij opkomt is wat dit dogma met je doet als je niet gezond bent. Wat als je chronisch ziekt bent, als door ouderdom je lichaam aftakelt of als je moet leven met een lichamelijke beperking? Dan is dat hoogste goed van een gezond leven niet meer bereikbaar, maar ben je dan ook minder mens en niet meer in staat om geluk te ervaren? Zonder ziekte, handicaps en aftakeling te willen relativeren (of lijden te verheerlijken), zie en ervaar ik dat er ook geluk en diepe menselijkheid te vinden en te geven is als je leeft zonder het hoogste goed van gezondheid. En zet dat niet een streep door het dogma dat gezondheid voor alles gaat?

    Toch aarzel ik om dat te zeggen. Ik denk omdat ik me een ketter voel die tegen het gezondheidsgeloof van de meerderheid ingaat. En het vergt nog altijd — ook in verlichte tijden — moed om een ketter te zijn. En nog meer omdat ik (voor zover ik weet) gezond ben. Als gezond mens heb je gemakkelijk praten. Heb ik wel recht om hierover te spreken? Daarom zal ik deze blog laten lezen aan mensen die weten wat het is om gezondheid te missen, alsook aan een aantal mensen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn. Ik ben benieuwd naar hun kijk. Uw gedachten zijn natuurlijk ook welkom.

  • Blauwe lucht

    Gisteren begon mijn dag goed. Door het schuin openstaande badkamerraam zag ik boven de daken de diepblauwe zomerlucht. Zomerblauw, fris en klaar voor een nieuwe dag. Even stond ik daar als Adam in de hof van Eden: verliefd op het leven, dankbaar voor mijn bestaan, blakend van levenslust en zin.

    Cielo simplemente.JPG

    Later op de dag vroeg ik me af waarom die blauwe lucht me zo in vervoering brengt. Een lucht van blauw met witte wolken is misschien wel mooier en het spel van donker en licht in de herfstluchten is zeker fascinerender dan een strakblauwe hemel. Bovendien hangen blauwe zomerluchten meestal over een warme wereld, die ook die morgen al veel zweet en loomheid beloofde. 's Middags fietste ik onder de blauwe hemel door de straten van een hete stad, die alle levenslust uit je lichaam zoog. Klam van het zweet zat ik aan een ziekenhuisbed en zag door het raam dat de hitte als een witte waas voor de blauwe lucht hing — het levendige blauw nu flets en verkleurd.

    En toch houd ik van die blauwe zomerlucht. Misschien heeft het te maken met de openheid die zo'n lucht uitstraalt. Het is alsof alles open is naar het leven, God, goedheid, eeuwigheid. Een heldere sterrenlucht is ook open, maar dan op een eerder beangstigende manier, zoals de grote denker Blaise Pascal (1623-1662) het verwoordde: 'de oneindige, onmetelijke ruimten die ik niet ken en die mij niet kennen' (fr. 68 Pensées). De blauwe lucht is een open poort naar het leven, een geruststellende uitnodiging dat we mogen leven, de genadige wenk dat zonder mij dit bestaan niet compleet is. Even open en genadig als de lijnbus die me in de hitte passeerde, met alle deuren wagenwijd open om te zeggen dat ik binnen mocht komen.

  • De zondagse tocht

    Op 6 juli overleed mijn vader, Martinus Visser. Als kind ging ik jarenlang met hem mee naar het kerkje aan het Paardenwater in Gorinchem, waar hij koster was. Die zondagse tocht en het 'spel' in de kerk behoren tot de mooiste herinneringen aan hem en mijn jeugd.
    brug van cellen

    Als Jozef naast zijn vader, maakte ik ontelbare keren de zondagse tocht naar de kerk — zonder veelvervige rok, want de zondagse kleren waren donkergetint.

    Langs het huis van Baks, het donkere hol van De Ruiter, bij Ten Hulzen de hoek om, over het bruggetje, langs de kleine witte huisjes — die nu zijn verdwenen — en dan de Spoorsloot volgen. Op de vredige zondagmorgen onze opgang naar Jeruzalem — ‘Kom ga met ons en doe als wij!’

    In mijn herinnering spraken we niet veel. Het kind telde putdeksels, lantarenpalen, jonge eendjes. Rook de zomeravondregengeur. Probeerde in de winter het ijs op de sloot. Zag ’s avonds op de terugweg de donkere ruggen van pa en diaken Roest. Hoorde paraplu’s op het trottoir tikken en ving flarden op van het grote mannengesprek — traag, gedempt, niet wetend waarover het ging. De preek? Kleine kerkperikelen? Koetjes en kalfjes?

    Langs de sloot stonden twee treurwilgen — die staan er nog. Ze treuren nog steeds over de zonden van ouders en kinderen, tot in het derde en vierde geslacht. Ze laten al die jaren hun bladeren hangen over de treurnis van de wereld en de harde, stomme dood.

    Dan het spoor over, de bocht nemen naar de oude Kerkhofsluis, die groene vervallen oerbrug over en daarna de laatste opgang naar de brug van Ceelen. Tenslotte daalden onze voeten af naar het godshuis.

    Daar was de koster de Leviet die de knopjes, de psalmborden, de koffiekopjes, de tijden en vaste rondgangen behandelde met een heilig respect dat paste bij de dienst des Heeren. En het kind was de hulpleviet in dit heilige spel.

    Het gewicht van de eeuwigheid teruggebracht in de hanteerbare vorm van cijfers en letters die loodrecht op het psalmbord hingen, een bedieningspaneel van schakelaars en twintig ledlampjes, een afsluitingsritueel dat een eeuwigheid kon duren en mensen voor wie hij zich al plagend en mopperend het vuur uit de sloffen liep.

    Als de ziel de zwaarte van de eeuwigheid niet kan torsen, maar angstig en onmachtig wacht, als het leven en het hart onmogelijk heel en goed worden, als de treurwilgen maar blijven treuren, dan was er één plek waar je dat gewicht kon herscheppen in een heilige orde van dingen en mensen, een tempel aan het Paardenwater.

    Daar speelde het kind in kinderlijke, heilige ernst met zijn vader. Het ging op en daalde af langs de Spoorsloot. En het hoopte — en zal blijven hopen — dat alle pelgrims die over de oude vervallen Kerkhofsluis moeten gaan, thuiskomen in de stad zonder tempels, met poorten die tot in alle eeuwigheid genadig open staan.

    Beeld: Brug van Ceelen (Barry van Baalen, Facebookgroep Oud Gorinchem)